Ford Zephyr Six, 1953
Maus Gatsonides en Peter Worledge op weg naar de overwinning in de Rallye Monte Ca rIo van 1953. 'Prestige for Britain' kopt The Times op 3 februari 1953. En voor Nederland: de naam van 'Gatso' is gevestigd. Ford in Dagenham is tevreden. De overwinning betekent een verdubbeling van de verkopen. Helemaal eerlijk is Gatso niet. Hulp van buitenaf is niet toegestaan, maar de remmen hebben veel last van fading. Dus organiseert Gatso helpers, die tijdens een lange afdaling om de zeven kilometer opgesteld staan. Ze gooien emmers water tegen de voorwielen als de Ford passeert. Een typische Gatso-constructie is de kap aan de voorzijde. die de breedstralers vrij van sneeuw houdt.
Leyland Octopus, 1957
Een eenzame Leyland Octopus is onderweg met een lading stalen buizen van Sheffield naar Glasgow in Schotland. Met een topsnelheid van ongeveer 60 km/uur was het een lange dag om de bijna 400 kilometer te rijden De naam Octopus gebruikte Leyland van 1934 tot het eind van de jaren zeventig om de 'rigid eight wheel truck' aan te duiden. Aan de cabine kun je ongeveer het bouwjaar afleiden, de afgebeelde versie is gemaakt van 1955 tot 1961 en was voorzien van de Leyland 0.680 motor van 150 pk.
Volvo en Scania-Vabis, 1965
In Scandinavië hadden ze heel andere brandweerwagens dan bU ons. Geen Austin, DAF, Bedford, Magirus of Mercedes-Benz, maar - heel eenvoudig - een Volvo of een Scania-Vabis. Op de voorgrond zien we een Volvo L 430 motorspuit van 1964. Een V8 benzinemotor van 1 20 pk drUft de voor het front gebouwde pomp aan. Door het sportieve karakter van de V8 werd de wagen ook wel aangeduid als 'Snabbe' - de snelle. Een veel zwaardere motorpomp is de Scania-Vabis LB 76 met een 195 pk diesel. In de lange cabine is plaats voor zes brandweermannen.
Kromhout T6, 1957
Midden in de bollenstreek, ergens tussen Hillegom en Lisse, zoekt een zwaar geladen Kromhout T6 trekker-oplegger-combinatie zijn weg. Voor zijn tijd was de Kromhout een moderne en uiterst betrouwbare wagen. De T6 was uitgerust met een 140 pk sterke zescilinder diesel, een ZF zesversnellingsbak, stuurbekrachtiging en een (eenleiding) luchtdruk remsysteem. Het maximum treingewicht bedroeg 32 ton, maar een paar tonnetjes meer was voor de Kromhout geen probleem.
Lancia D50, 1955
Met de D50, een ontwerp van Vittorio Jano, waagt Lancia eind 1954 de stap in de Formule 1. De auto wordt gereden door Ascari, Castellotti, Chiron en Villoresi. Afgebeeld is hier Alberto Ascari tijdens de Grand Prix van Monaco, op 22 mei 1955. Hij eindigt de race onbedoeld met de tewaterlating van de D50 in de haven. Vier dagen later verongelukt hij in Monza, met een Ferrari. Daar succes uitblijft stopt Lancia met de Formule 1; de auto's worden door Ferrari overgenomen. De D50 heet dan Lancia-Ferrari. In 1956 behaalt Juan Manual Fangio met een Lancia-Ferrari D50 zijn vierde wereldkampioenschap. Desondanks: Fangio vindt het geen prettige auto.
Magirus-Deutz Jupiter, 1955
Aan het specifieke gehuil van de luchtgekoelde V8 motor kon je de Magirus-Deutz Jupiter al van verre herkennen. De karakteristieke ronde motorkap gaf de Magirus een eigen gezicht. Naast de 'Rundhauber' werd ook een vierkante motorkap geleverd, de 'Eckhauber'. De lichte vrachtwagens, zoals de Sirius en de Mercur, hadden een korte ronde kap, de Jupiter was langer om de grote 1 75 pk diesel te kunnen herbergen. De Rundhauber werd gefabriceerd van 1951 tot 1960, de vierkante neus ging nog tien jaar langer mee. Magirus-Deutz S 6500 (tot 1955), later S 7500 Jupiter.
Ford Mustang, 1964/1965
Het eerste type Ford Mustang, hier afgebeeld op een zwoele avond in juli, is geen '64-er en geen '65-er. Gewoonijk wordt als jaar '1964' genoemd, want de auto komt in het voorjaar van
1964 op de markt. De Mustang, ontworpen door een team onder leiding van Lee lacocca, is gebaseerd op de Ford Falcon. Naar beproefd Amerikaans gebruik kan de klant door te kiezen uit verschillende motoren, transmissies en uitrustingsniveaus een auto 'op maat' bestellen. De Mustang is onmiddellijk na het verscbijnen een enorm verkoopsucces.
DAF 2000 DO, 1961
Met de in 1957 geïntroduceerde 2000 DO had DAF een truckchassis dat geschikt was voor het zware vervoer. Als krachtbron werd een 180 pk Leyland 0.680 motor ingebouwd, gekoppeld aan een ZF zesversnellingsbak. In de loop der jaren evolueerde de DO in 1964 werd de cabine gefacelift (grille type 2), in 1966 werd de typeaanduiding gewijzigd in 2200 DO. Tegelijkertijd werd een gedeelde panoramische voorruit gemonteerd (type 3). Daarnaast werd de 2400 gebouwd, uitgerust met een zwaardere DAF-Leyland motor van 226 pk.
VW Kever, 1955/1957
Midden jaren vijftig rijdt de Amsterdamse politie met een grote verscheidenheid aan voertuigen. Naast de onverwoestbare dienstfiets zijn er uiteraard automobielen. Opel Kapitän,
Mercedes-Benz 'ponton', Ford Customline en - past eigenlijk niet in dit rijtje! - Volkswagen Kever. Aanvankelijk zijn de auto's nog uitgerust met een sirene. Dat instrument is vanaf
1 januari 1958 verboden, na die datum wordt lawaai gemaakt met een tweetonige hoorn.
Volvo Amazon / 120-serie
Volgens Volvo-ontwerper Jan Wilsgaard moet de typenaam 'Amazon; herinneringen oproepen aan de Griekse mythologie. Jammer, dat Kreidler het gebruik van die naam heeft laten vastleggen, zodat de Volvo's al gauw officieel heel nuchter '120-serie' genoemd worden. Toch opvallend, dat iedereen weet waarover het gaat als over een 'Amazon' gesproken wordt. En dat is niet over een Kreidler! De Amazon wordt behalve in Zweden veel in het buitenland verkocht. Belangrijke exportmarkten zijn Zwitserland, Nederland en de Verenigde Staten. 'The car, that put Volvo on the map', stelt de fabrikant bescheiden, doch tevreden vast.
Renault Dauphine
In1956 presenteert de Régie Renault de Dauphine, hier vastgelegd voor de Parijse Opéra. Qua concept gelijk aan de 4CV maar groter, sneller en duurder Toch blijft het een kleine auto; de wielbasis is slechts 227 cm. Pers en publiek zijn enthousiast over de wagen, vooral wegligging, prestaties en verbruik oogsten waardering. Sportieve successen blijven niet uit, zowel in rally's als op circuits doet de Dauphine ('vrouw van de kroonprins') van zich spreken. Voor Renault is de Dauphine een groot verkoopsucces. Tussen 1955 en 1969 worden 2,2 miljoen exemplaren verkocht.
Crossley SD 42/1 autobus, 1947
Winter 1949. Het station van Haarlem vormt een sfeervolle achtergrond voor enkele van de bekendste bussen die in Nederland hebben gereden. In 1947 bestelde de NS voor zijn dochtermaatschappijen een serie van bijna 1000 Crossley bussen in Engeland. Het merendeel werd gecarrosseerd door Nederlandse bedrijven, waaronder Allan, Beynes, Verheul en Werkspoor. Maar ook Aviolanda en De Schelde hebben er een aantal gebouwd. Pas in 1961 werd de laatste Crossley uit dienst genomen.
Tekeningen: A. J. Holsheimer
Fotografie tekeningen: Rob Mostert
Teksten personenauto's: Albert Gerbel
Teksten trucks: Hans Witte
Productie: Gé Bom en Hans Witte
![]() |