Erik Meijboom.
Mijn verzameling bestaat uit Ferrari’s en alle voertuigen die iets met Ferrari te maken hebben in de schaal tussen 1:64 en 1:55. Daarbij ben ik op zoek naar de mooiste uitvoering van een model en afwijkende carrosserievarianten. Dus niet 5 Testarossa’s van 5 verschillende fabrikanten, maar wel een Testarossa in verschillende uitvoeringen (gewoon, cabriolet, race, enz.). Wat er niet is verbouw ik zelf, maar zonder dat het een must is. Soms doe ik een jaar zelf helemaal niets. Het grootste plezier voor mij is de jacht op nieuwe modellen, eerst via kleine winkeltjes, daarna rommelmarkten en nu vooral via internet. Ik wil hierbij graag een kleine impressie geven hoe je met weinig kosten toch tot een leuke (vind ik) verzameling kunt komen.
Vanaf mijn jeugd was ik al geïnteresseerd in auto’s met als gevolg een enorme doos Matchbox wagentjes. Mijn vader heeft een autoschadebedrijf en dat moest natuurlijk ook in het klein nagespeeld worden. Dus op 8 jarige leeftijd een hele grote pot oranje verf van opa “geleend” en met een enorme kwast mijn eerste model geverfd, een Matchbox Ford GT40. Ziehier het fantastische resultaat.
Bij het samenwonen sleep je natuurlijk ook deze doos mee, en kijkt je vriendin nogal raar op dat je deze rotzooi niet wilt weggooien. Totdat zij met de opmerking komt van “Waarom ga je niet één bepaald merk verzamelen of zoiets?”. Tja, en dan ga je nogmaals kijken in de doos en bedenken welk merk of welke serie zou ik willen verzamelen? Ondanks de grote voorraad Porsches en Fords gaat de voorkeur toch naar Italiaanse auto’s, dus Ferrari’s tellen. Maar 5 stuks (dacht ik, de Pininfarina Modulo van Corgi bleek later ook een Ferrari te zijn). De 312P sportwagen heeft mijn oom ooit meegebracht uit Italië, de 312B3 formule 1 gekregen van een andere oom bij de Grand Prix van Zandvoort in 1978 en de witte 308 Rainbow was ooit een bouwdoosje. Het begin was er.
Dat is bijna 20 jaar geleden. De doos is onderweg ergens achtergebleven, waarbij op miraculeuze wijze de voorste 3 modellen en de Ford GT 40 bewaard zijn gebleven. Momenteel heb ik ongeveer 70 unieke modellen, met de verbouwingen ongeveer 100 stuks. Aangezien alle modellen opnieuw gespoten worden ben ik niet specifiek op zoek naar “mint and boxed” modellen, echter sommige zijn te mooi om iets aan te doen, zoals de pas gekochte Polistil 312PB.
Of de onzettende fraaie Champion 312F1, gekocht op de NAMAC beurs in Houten voor 5 Euro, met doosje! Vooral de oudere types Ferrari’s zijn voor mij interessant gezien de vele detailverschillen die kunnen ontstaan, en ook doordat er door amateur coureurs langer met de oude racers doorgereden wordt. De blauwe Edocar 250GTO is uit de Targa Florio van 1962. En de groene is een “tweedehandsje” met een verlaagd dak (inclusief verhoging in het dak voor het hoofd van de coureur), grotere achterspoiler en verlaagd. Deze wagen heeft gereden op Spa Franchorchamps in 1965, en was sneller dan de nieuwere GTO’s uit 1964. Dan kom je opeens een raceversie van de 275GTB tegen in het blad Ferrari World, deze wagen heeft de voorkant van een 250GTO. Na wat meetwerk blijkt de voorkant van de Edocar 250GTO te passen op de Siku 275GTB. De halve voorspatborden en de motorkap overgezet in het Siku model, de achterbumper weggezaagd en de achterkant glad geplamuurd. Een ander mooi model is de Corgi 512S sportwagen, behalve een standaard raceversie zijn er ook diverse variaties gemaakt. In het seizoen 1970 golden nieuwe sportwagenregels, en één van die regels was dat er minimaal 25 wagens gebouwd moesten zijn. Bij de FIA homologatie in de Ferrari fabriek waren er 17 stuks gereed en 7 stuks in aanbouw, toch ging de FIA akkoord. De 17 stuks waren identiek aan onderstaand model.
Door de gigantische hoge topsnelheid van 300 km/u (op een afgesloten snelweg is 344,8 km/u geklokt) zijn alle raceversies voorzien van verschillende spoilers, zoals ook het Corgi model. Le Mans had toen nog één lang recht stuk Les Hunaudieres en speciaal hiervoor waren een aantal 512S voorzien van een aerodynamische achterkant, Coda Lunga. Dit model is vanaf de zijruiten opgebouwd uit plastic plaat en daarna in vorm gebracht met plamuur. Na een jaar schuren en plamuren kwam ik er via nieuwe foto’s op internet achter dat ik een totaal verkeerde vorm van de achterspatborden had. Dus weer opnieuw plamuren en schuren. De achterkant bestaat uit een vlakke plaat met daarop de achterspatborden geplamuurd. Toen dat af was is de verlenging van de cockpit met plasticplaat erop gelijmd, weer plamuren en schuren. Door de motorkapafdekking zie je nog een motor van een Efsi 312F1 Ondanks dat ik het verbouwen erg leuk vind ik het leuker om een origineel model te hebben. De Zwitser Herbert Mueller heeft erg lang doorgereden met de 512 sportwagen, met de 512M heeft hij nog enkele jaren in de CanAm serie gereden. Aan de hand van een foto in het boek “Mag het een Ferrari zijn?” van Rob de la Rive Box heb ik een Faller AFX model verbouwd. Het is een racebaanmodel, het motortje is verwijderd om een interieur te kunnen maken. Voorzien van een gigantische achtervleugel vind ik het een leuk model.
Dit model was amper af of ik vind op een oldtimerbeurs het volgende model. De eerste blik viel op de ronde ventilator boven op de motor, een Porsche 917. Terwijl ik al verder aan het kijken was begint het toch te kriebelen, de vorm van het model is geen Porsche. Toch maar even opgepakt, echt wel een Ferrari (op de onderkant stond zowaar zelfs Ferrari 512M). Het is de 512M CanAm Ferrari, kosten twee oud nederlandse kwartjes. (22 eurocent) In een Duits modelautoblad stond een aantal jaren geleden twee onduidelijke foto’s van een F50 in racetrim (een model van BBR), de zogenaamde F50 BPR testversie. Over dit model heb ik 3 jaar gedaan, het moeilijkst waren de zijskirts en de voorbumper, vooral het vergroten van de luchtinlaat. Pas toen het model af was zag ik op internet dat de voorbumper een andere vorm behoort te hebben, ook dat komt voor. Het leuke aan zo’n verzameling is dat je het zo duur kunt maken als dat je zelf wilt. Ikzelf heb het meeste plezier aan het zoeken naar een model op de rommelmarkt, bij voorkeur in een grote doos met rotzooi. Deze Alfa P3 uit 1933 (geloof ik) komt uit een verrassingsei, een chocolade ei met binnenin een speelgoedje. Op een rommelmarkt voor 1 kwartje, ongeveer 11 eurocent. Deze auto is ingezet door de Scuderia Ferrari, het fabrieksteam van Alfa Romeo. Deze 500F2 uit 1952 komt ook van een rommelmarkt, echter bij een kraam met alleen maar speelgoedjes uit die verrassingseieren. Kosten fl 17,50, ongeveer 8 euro.
Zoals ik al eerder schreef ben ik niet op zoek naar het perfecte model. Ik heb ooit eens een advertentie gezet in Auto in Miniatuur met de opmerking Ferrari modellen gezocht. Er belde een meneer met de mededeling dat hij 6 modelletjes had, met een doosje erbij. Hij noemde ze allemaal op, en ik kende er slechts twee van. Voor 5 modellen uit zijn eigen verzameling vroeg hij fl 140,00, ongeveer 65 euro. Er viel niet op af te dingen dus heb ik ze maar gekocht. Hieronder één van die modellen, de Penny Pininfarina Dino Prototype. Geduld is natuurlijk een schone zaak, al die 5 modellen heb ik later nogmaals gekocht waarbij de duurste 5 euro was en de goedkoopste 20 eurocent (zonder doosje en met wat minder verf)
Dit een kleine impressie van hoe een verzameling eruit kan zien, het leuke is dat iedereen er zijn eigen invulling aan kan geven. Voor een opmerking, reactie, of misschien op zoek naar een onbekend modelletje, mailen kan altijd, cromei@planet.nl
Bedankt, Erik Meijboom
![]() |